Viola da gamba

De viola da gamba (letterlijk: beenviool) stamt uit de vroege Renaissance en is tot en met de Barokperiode in gebruik gebleven. De gambafamilie bestaat uit vier instrumenten: de diskant (sopraan), de alt/tenor, de bas en de violone. Al deze instrumenten worden op dezelfde manier vastgehouden: rechtop, rustend tussen de knieën van de speler/speelster. De gamba heeft vaak zes snaren, hoewel ook varianten met vijf of zeven snaren voorkomen, en wordt bespeeld met een strijkstok die onderhands wordt vastgehouden.

In de Renaissance en de vroeg-Barok gebruikte men de gamba vaak in de meerstemmige, veelal  vocale muziek, waarbij de verschillende stemmen door instrumentalisten en zangers konden worden ingevuld afhankelijk van wie of wat er op dat moment voorhanden was.  Eigenlijk dezelfde manier waarop bij Ensemble En Suite wordt gemusiceerd.

In de late Barok ontwikkelde de basgamba zich tot een belangrijk solo-instrument, en werd deze daarnaast veelal gebruikt als invulling van de basso continuo samen met clavecimbel of luit.

De basgamba die bij Ensemble En Suite in gebruik is, is een 20ste-eeuwse kopie van een gamba gebouwd door Barak Norman die rond 1700 in Londen leefde en werkte. Het is een 7-snarige gamba, die door zijn bouw niet alleen geschikt is voor het spelen van solo-literatuur, maar ook voor instrumentale en vocale consortmuziek zoals die bij Ensemble En Suite wordt gespeeld.


Meer informatie over • blokfluit en traverso
Terug naar webpagina instrumentalisten